Ik lees graag reisverhalen.
Onlangs heb ik
Paul Theroux's “Dark Star Safari” gelezen. Theroux weet elke keer weer op een boeiende manier te vertellen over de plekken waar hij is. Altijd informatief en met veel sfeer zodat je zelf staat te popelen om ook daarheen te reizen. Na het lezen van zijn
“The Happy Isles of Oceania”, jaren geleden, zag ik mijzelf al in een bootje tussen de eilanden varen. Ondanks alle slechte omstandigheden waar Theroux langskomt, is dat nooit echt een onderwerp. Hij lijkt zelfs te genieten van de slechte bedden en hotelkamers. Heel anders dan de reisboekjes van
Dolf de Vries. Zijn “xxxx in een rugzak” staan bol van het geklaag over slechte verbindingen, eten en hotelkamers.
Wat dat betreft hebben we niet zoveel goede reisverhalen schrijvers in Nederland. Natuurlijk is
Cees Nooteboom een topper en ook
Carolijn Visser weet de juiste toon te vinden. Ook de boeken van
Boudewijn Buch zijn het lezen waard.Toch lijkt het genre meer in de Angelsaksische cultuur te zitten. Als ik in mijn boekenkast kijk, zie ik namen als
Colin Thubron,
Bruce Chatwin en
Redmond O'Hanlon.
Misschien is inderdaad wel de kern dat een schrijver nooit veel over zijn eigen problemen moet vertellen maar zich op moet stellen als waarnemer die zijn omgeving in perspectief weet te plaatsen.