Ergens in oost-Bali waren er zoveel libelles te zien dat ik onze chauffeur vroeg hoe men die in het
Bahasa Indonesia noemde. Dat bleek
Capung te zijn (uitspraak: tja-poeng).
Een week later, bij een ander hotel, waren er ook weer veel libelles te zien. Toen ik tegen iemand van het restaurant zei dat er veel “capung” waren, viel zijn mond open van verbazing. Dat ik Indonesisch sprak! Ik heb hem snel duidelijk gemaakt dat dit, na “terima kassi”, zo ongeveer mijn gehele kennis van de taal is.